Terug naar overzicht Print deze pagina

Lumbale hernia

Een tussenwervelschijf (discus) bestaat uit een elastische kern die omgeven is door vezelige ring.  Wanneer er een scheur ontstaat in deze ring kan de inhoud van de tussenwervelschijf (de nucleus) uitpuilen in het wervelkanaal.  Wanneer deze uitstulping op een zenuw drukt, spreekt  men van een discushernia en ontstaan er pijnklachten in het been.  Door ernstige druk op de zenuw kunnen er ook uitvalsverschijnselen van de zenuw ontstaan met een doof of tintelend gevoel of krachtsvermindering in het been of de voet tot gevolg.  De meeste hernia's komen voor tussen de 4de en 5de lendewervel (L4/5) en de 5de lendewervel en het heilig been (L5/S1).  Maar ook op hoger gelegen niveaus kunnen hernia's voorkomen.

Symptomen

Meestal wordt het ontstaan van een discushernia voorafgegaan door belangrijke rugpijnklachten.  Deze rugpijnklachten ontstaan wanneer de vezelring scheurt.  Als dan vervolgens de inhoud van de tussenwervelschijf uitpuilt in het zenuwkanaal en de zenuw gaat verdrukken, ontstaan de uitstralende pijnklachten.  Op dat moment staan de beenpijnklachten vaak op de voorgrond veel eerder dan de rugpijnklachten.  Daarenboven kan een discushernia leiden tot sensibele uitvalsverschijnselen (gevoel-uitvalsverschijnselen) zoals tintelingen en een verdoofd gevoel in het traject van de zenuw.  Ook motorische uitvalsverschijnselen (krachtsverlies) kunnen ontstaan.  Dit uit zich dan in een krachtsverlies van een bepaalde spiergroep die door de aangetaste zenuw wordt bezenuwd; bijvoorbeeld het niet meer op de hielen kunnen stappen, niet meer op de tenen kunnen staan, door de knie zakken bij trap oplopen en dergelijke.

Diagnose

Voor een goede diagnose is zowel de anamnese, het klinisch onderzoek als verdere beeldvorming aangewezen.  Een NMR-scan is veruit het meest gevoelige onderzoek om de diagnose van een discushernia te stellen.  Daarenboven geeft een NMR ook een nauwkeurig beeld over de ernst van de zenuwcompressie.

Behandeling

Niet iedere patiënt met een discushernia moet geopereerd worden.  Een deel van de patiënten met een lumbale discushernia kan zeker conservatief worden behandeld.  Dit wil zeggen met medicatie en gerichte infiltraties (inspuitingen).  Meestal wordt bij dergelijke patiënten een wortelinfiltratie (infiltratie van de zenuw) of epidurale infiltraties verricht.  Deze behandeling vindt plaats in het neurochirurgisch pijncentrum.  De patiënt wordt hiertoe gedurende een uurtje opgenomen in het neurochirurgisch pijncentrum waar de infiltratie door de behandeld neurochirurg zal worden uitgevoerd.  Na een infiltratie is het mogelijk dat de patiënt gedurende enkele uren een doof of verlammend gevoel ervaart in het been.  Dit is het gevolg van het verdovingsproduct dat wordt ingespoten.  Deze klacht verdwijnt in de regel binnen enkele uren.  Wanneer met deze infiltratiebehandeling de pijnklachten gunstig evolueren dient er geen operatieve ingreep te worden uitgevoerd. 
Een operatieve ingreep wordt uitgevoerd in de volgende situaties:   

  • wanneer er een uitstralende pijn blijft bestaan ondanks conservatieve therapie
  • wanneer de patiënt zoveel last heeft dat hij met deze pijn niet goed kan functioneren
  • wanneer er belangrijke uitvalsverschijnselen ontstaan

Het subjectieve klachtenpatroon van de patiënt speelt hier dus een doorslaggevende rol.  Wanneer er uitvalsverschijnselen ontstaan, voornamelijk krachtsverlies (bijvoorbeeld dropvoet of klapvoet), in combinatie met veel pijnklachten, is er een indicatie om vroegtijdig over te gaan tot een semi-dringende ingreep.  Wanneer de patiënt klaagt van belangrijke uitstralende pijnklachten in 1 of 2 benen, gepaard gaande met doofheid rond de anus of genitale regio, of klachten van urine-incontinentie (cauda equinasyndroom) ontstaan, is dit een absolute operatieve indicatie.  Dit wil zeggen dat hiervoor een dringende ingreep noodzakelijk is.

Postoperatief

In regel zijn de pijnklachten vrij snel beter.  De 2de en 3de dag na de ingreep kunnen de uitstralende pijnklachten terug optreden, dit tgv zwelling van de zenuw.  Dit is niet bij iedereen het geval en verminderd vanaf de 4de dag.  Uitvalsverschijnselen herstellen binnen de drie maanden.